“Hoe maak je dit?” Mijn schildertechniek onder de loep

by

in

1008 woorden, 5min leestijd | 936 words, 5 min read, scroll down for English

De vraag die ik het afgelopen halfjaar het vaakst heb gekregen tijdens kunstmarkten en exposities is: hoe heb je dit gemaakt / welke techniek is dit?

Blijkbaar heb ik een enorme blinde vlek, want ik reageerde in eerste instantie telkens met “dit is olieverf op canvas”. Maar dat had men wel begrepen, dat het geschilderd was met een kwast, dat was voor veel mensen onduidelijk.

Blijkbaar ziet mijn werk er niet geschilderd uit? Misschien omdat ik zowel olieverf als oliepastel gebruik? Misschien omdat ik mijn verf verdun zodat ik grote gebaren kan maken? Hoe dan ook, het leek me goed om eens een blog te wijden aan mijn schildertechniek.

Olieverfschilderijen

Mijn schilderijen bouw ik op uit meerdere lagen en dat doe ik op 2 verschillende manieren, afhankelijk van wat ik van plan ben te schilderen.

Optie 1: compositie gaat ontstaan tijdens het schilderen.

Ik maak gebruik van de techniek ‘van mager naar vet’ als ik de compositie wil laten ontstaan tijdens het schilderen. Wat bedoel ik met ‘de compositie gaat ontstaan tijdens het schilderen’? Dat betekent dat ik het schilderij ga opbouwen uit meerdere lagen , waarbij elke laag een eigen compositie heeft en waarbij ik elke afzonderlijke laag laat drogen voordat ik een nieuwe laag toevoeg. Elke laag die ik toevoeg moet daarnaast ook passen bij de laag eronder, zowel qua compositie als qua kleur. Een voorbeeld van een schilderij dat ik heb geschilderd volgens dit principe is Nachttuintroost (zie afbeelding). Binnen een laag werk ik nat in nat, maar de volgende laag voeg ik pas toe als de vorige helemaal droog is.

Nachttuintroost (2025). Laag 1: aubergine achtergrond. Laag 2: Donkerpaarse pruikenboom. Laag 3: Grijs met blauwe slangentong. Laag 4: Witte anemonen. Laag 5: Gele rudbeckia en rode Oost-Indische kers.

Deze aanpak vergt veel van mij omdat ermee verbinden en er afstand van nemen elkaar constant afwisselen. Het is spannend om niet te weten waar je aan begint, om vertrouwen te hebben in een goede afloop en in mijn vermogen het schilderij te ‘lezen’ en er adequaat op te kunnen reageren tijdens de opbouwfase. Gelukkig geeft deze techniek me ook veel tijd, omdat ik moet wachten tot elke afzonderlijke laag droog is. Zo kan ik dus na elke laag even bijkomen en me opladen voor de volgende laag.

Wat betekent schilderen volgens de ‘van mager naar vet’ techniek? Heel simpel betekent het dat de onderste laag de minste olie bevat en de bovenste laag de meeste. Op die manier hechten de lagen het beste op elkaar, dat heeft te maken met de verschillen in droogtijd. Praktisch betekent het dat ik begin met een laag olieverf verdund met terpentine (de terpentijn heb ik uit mijn atelier verbannen, aangezien dat ontzettend stinkt, heel ongezond is en ook nog eens ontzettend lang blijft hangen). De daarop volgende lagen kunnen steeds iets meer olie bevatten. De bovenste laag kan ik verdunnen met olie, dat is dan de vetste laag.

Een nadeel van deze techniek is dat het relatief lang duurt voordat een schilderij af is. Ik heb ruim een halfjaar aan Nachttuintroost gewerkt, waarbij ik dus vooral heb gewacht tot lagen droog waren zodat ik verder kon schilderen.

Optie 2: compositie is duidelijk voordat ik begin

Als ik de compositie al heb gemaakt voordat ik begin met schilderen (bijvoorbeeld als ik een inkttekening of tuinfoto als uitgangspunt neem), dan bouw ik het schilderij niet zozeer op in lagen, als wel in vlakken en krijgen alle vlakken ongeveer dezelfde vetheid. Ik kan dan kiezen waar ik achtergrond schilder om er daarna overheen te gaan met de voorgrond of waar ik de voorgrond schilder waarna ik de achtergrond er later inschilder. Dat is afhankelijk van hoe gedetailleerd de voorgrond is. Een voorbeeld van deze manier van werken is Hemelreikende Begonia (zie afbeelding).

Hemelreikende Begonia (2025). Olieverf en oliepastel op canvas.

Een nadeel van deze manier van werken is dat je nooit precies weet wat de voorgrond verlangt en wat de achtergrond verlangt en dat het dus kan zijn dat je te weinig achtergrond hebt geschilderd. Dit was het geval bij Hemelreikende begonia. Ik had te weinig lichtblauw geschilderd, omdat ik dacht dat daar wel blad voor zou komen, maar dat kwam er uiteindelijk niet en toen had ik een wit gat in de achtergrond… Het kan lang duren voordat je zo’n probleem krijgt opgelost, want om precies dezelfde kleur in precies dezelfde viscositeit gemengd te krijgen is een hele klus en dan nog loop je het risico dat het toch het mooist is om al het blauw te overschilderen, waardoor je dus effectief precies de andere techniek aan het volgen bent: eerst de voorgrond dan de achtergrond en dat was nou juist niet je plan.

Maar eerst de voorgrond en dan de achtergrond kan ook. Het vergt alleen meer focus en geduld. Een schilderij waarbij ik deze techniek heb gebruikt is Neon Pelargonium (zie afbeelding) en dit is ook meteen een mooi voorbeeld van het nadeel van deze techniek. Ik begon Neon Pelargonium met veel elan en hoge snelheid. Er zat daardoor enorm veel energie in de voorgrond. Later de achtergrond opvullen betekent juist geduldig alle randjes langsschilderen. Dat is dus een tegenovergestelde techniek. Dat kan tot spannende resultaten leiden, maar vaker slaat dat de energie juist dood en dat is jammer.

Neon Pelargonium (2025). Olieverf en oliepastel op canvas.

Oliepastel

Sommige schilderijen vragen om een beetje extra. Laat het contrast, kleur, textuur of diepte zijn. In dat geval gebruik ik oliepastelsticks van Sennelier. Dat is een prachtige, heel directe manier om meer leven en speelsheid in het schilderij te brengen. Met de sticks teken ik direct op het doek, daar komt dus geen kwast of verdunnend medium aan te pas. Deze techniek heb ik toegepast op allevier de schilderijen van de In de Kas-serie. Hieronder zie je twee schiderijen voor (links) en na (rechts) de toevoeging van oliepastel.

Tot zover mijn schildertechniek ontrafeld.

Naast schilderijen maak ik natuurlijk ook inkttekeningen, mixed media collages en allerlei producten met patronen op basis van mijn visuele werk. Daarvan vind je hier binnenkort ook achtergrond en werkwijze.

My painting technique unravelled

The question I’ve been asked most often at art fairs and exhibitions over the past six months is: how did you make this/what technique is used?

Apparently, I have a huge blind spot, because I always initially responded with, “This is oil on canvas.” But people understood that, but that it was painted with a brush, which wasn’t clear to many people.

Apparently, my work doesn’t look painted? Perhaps because I use both oil paint and oil pastel? Perhaps because I thin my paint to allow for large gestures? Either way, I thought it would be a good idea to dedicate a blog post to my painting technique.

Oil paintings

I build my paintings from multiple layers, and I do this in two different ways, depending on what I intend to paint.

Option 1: Composition emerges as I paint.

I use the “lean to fat” technique when I want the composition to develop as I paint. What do I mean by “the composition emerges as I paint”? This means I build the painting from multiple layers, each with its own composition, and I let each individual layer dry before adding the next. Each layer I add must also complement the layer below, both in composition and colour. An example of a painting I painted using this principle is “Nachttuintroost” (see image above). Within each layer, I work wet-on-wet, but I only add the next layer once the previous one is completely dry.

This approach demands a lot from me because connecting with it and distancing from it constantly alternate. It’s nerve-racking not knowing what you’re getting into, having confidence in a good outcome, and in my ability to “read” the painting and respond appropriately during the construction phase. Fortunately, this technique also gives me a lot of time, because I have to wait for each individual layer to dry. This allows me to recover after each layer and recharge for the next.

What does painting according to the “lean to fat” technique mean? Simply put, it means that the bottom layer contains the least oil and the top layer the most. This allows the layers to adhere best to each other, which has to do with the differences in drying time. In practice, this means that I start with a layer of oil paint thinned with turpentine (I’ve banned turpentine from my studio because it stinks terribly, is very unhealthy, and also lingers for a very long time). The subsequent layers can contain progressively more oil. I can thin the top layer with oil, which then becomes the fattest layer.

A disadvantage of this technique is that it takes a relatively long time to finish a painting. I worked on Nachttuintroost for over six months, mainly waiting for the layers to dry so I could continue painting.

Option 2: Composition is clear before I begin

If I’ve already established the composition before I start painting (for example, if I’m using an ink drawing or garden photograph as a starting point), I don’t build up the painting in layers, but rather in planes, and all the planes have roughly the same degree of richness. I can then choose where to paint the background and then apply the foreground over it, or where to paint the foreground and then paint the background in later. This depends on the level of detail in the foreground. An example of this method is Hemelreikende Begonia (see image above).

A disadvantage of this way of working is that you never know exactly what the foreground and background require, and you might end up painting too little background. This was the case with “Heavenly Reaching Begonia.” I hadn’t painted enough light blue, thinking it would grow leaves, but in the end, they didn’t, leaving me with a white gap in the background. It can take a long time to solve such a problem, because mixing the exact same color at the exact same viscosity is a real chore, and even then, you run the risk of painting over all the blue, effectively following the exact opposite technique: foreground first, background second, which wasn’t your plan.

But foreground first, background second is also an option. It just requires more focus and patience. A painting in which I used this technique is “Neon Pelargonium” (see image above), and this is also a good example of the disadvantage of this technique. I started Neon Pelargonium with great enthusiasm and high speed. This created a tremendous amount of energy in the foreground. Filling in the background later means patiently painting along all the edges. So that’s a reverse technique. It can lead to exciting results, but more often than not, it just kills the energy, which is a shame.

Oil pastels

Some paintings call for a little something extra. Whether it’s contrast, color, texture, or depth. In that case, I use Sennelier oil pastel sticks. It’s a beautiful, very direct way to bring more life and playfulness to the painting. With the sticks, I draw directly on the canvas, so no brush or thinning medium is involved. I applied this technique to all four paintings in the “In de Kas” (Inside the Glasshouse) series. In the gallery above, you see two paintings before (left) and after (right) the addition of oil pastel.

So that’s my painting technique unraveled.

Besides paintings, I also create ink drawings, mixed media collages, and all sorts of patterned products based on my visual work. You’ll find background information and working methods for these here soon.