1687woorden, 9min leestijd | 1742woorden, 9min read (scroll down for English)
“Botaniska” is een serie olieverfschilderijen, -schetsen en collages geïnspireerd op de botanische tuinen in Göteborg en Stockholm die ik bezocht in de zomer van 2024.
Uiteindelijk heeft alle botanische inspiratie geleid tot 82 kunstwerken, waarin ik mijn weg terug naar het licht heb gevonden. En specifieker mijn weg terug naar de kleur geel. De eerste series werken (de schetsen en de collages) zijn donkerder en paarser van kleur. In de eerste set van 16 canvasboards kun je voorzichtig her en der wat eigeel bespeuren. In de 32 canvasboards die daarop volgden kun je de opmars van de kleur geel duidelijk zien. En ik kan alleen maar speculeren over hoe het palet van de 5 schilderijen op doek eruit gaan zien.
Terug naar het licht? Terug naar de kleur geel? Ik heb een zeer gecompliceerde relatie met de kleur geel. Zo is het enige geel dat ik in de lente verdraag dat van Forsythia en drijft al het andere geel me tot waanzin. Is dat niet een beetje overdreven? Nee. In de eerste lente na de aankoop van ons nieuwe huis in Twente heb ik alle gele bloemen die opkwamen in de vroege lente uit de tuin gerukt. Zo agressief werd ik ervan.
Vanwege dit effect lijdt ik ook sinds mijn adolescentie aan zogenaamde lentedepressie. “Normale” mensen hebben een herfst- of winterdepressie vanwege een gebrek aan zonlicht. Bij mij is het juist andersom. Het vooruitzicht dat de dagen alleen maar langer gaan worden, de zon meer uren gaat schijnen, feller en warmer wordt is voor mij jarenlang reden geweest om diep wanhopig te raken. Om de gordijnen dicht te trekken en te wachten op het einde. 1 september was decennialang de reddingsboei waar ik vier maanden lang reikhalzend naar uitkeek. Tot het jaar 2025.
Mijn moeder stierf in 2024. Dat betekende dat zij vanaf dat moment dus niet meer gered hoefde te worden uit alle zelfdestructieve relaties waarin ze zichzelf had laten vastzetten. Daar was ik blijkbaar tot in 2024 onbewust mee bezig geweest: haar redden. Het klinkt morbide, vreemd en misschien zelfs zwaar zorgwekkend en ik had het zelf niet kunnen verzinnen, maar het blijkt nu dat sterven het beste was dat mijn moeder voor mij kon doen. Het gaf me de vrijheid om van haar los te komen, van haar keuzes, van onze traumabond, van haar familie, haar man, haar geschiedenis. Ik hoef er niets meer mee, ik kan eindelijk mijn eigen leven gaan leven. Dat is hoe het voelt, alsof er eindelijk ruimte is voor wie ik ben. En natuurlijk, als je dit schokkend vind of ongepast of je voelt je beledigt of diep gekwetst, ga je goddelijke gang, maar weet dat die emotie niets met mij te maken heeft, niets met mijn moeder en niets met de relatie tussen ons. Haar ziel vindt me tot nu toe elke Samhain en is dan volkomen ongestoord, een neutrale kalme kracht, een tijdelijke toeschouwer die het allemaal wel prima vindt nu ze geen menselijke vorm meer heeft.
En plotseling kan ik de kleur geel beter verdragen. De gordijnen zijn minder vaak dicht. Afgelopen lente heb ik de hele maand maart in de tuin gewerkt en pauze gehouden in de middagzon. Ik heb narcissen en tulpen gekocht – toegegeven, geen donkergele, maar witte, paarse, poederroze en vanillekleurige exemplaren. Maar toch, de lente vieren, dat kwam twintig jaar lang niet in mij op. Want de zomer, de tijd om te bloeien en te groeien, was een tijd van overleven. Nu voelt dat plotseling wel veilig en kan ik het zonlicht beter verdragen. Ik ervaar het bijna als uitnodiging, als bevestiging dat het net zo goed mijn geboorterecht is om tot bloei te komen, om mijn talenten te ontwikkelen, om mijn waarheid te leven en uit te spreken, om mijn mening uit te dragen, om te zijn wie ik ben. Niet langer afgezonderd in donkere kamers achter dichte gordijnen, waar niemand me ziet. Maar in het licht, omdat ik eindelijk zover ben dat ik mijn eigen hart kan dragen, het hart waarvoor ik mezelf zo bang heb gemaakt dat het me bang maakte voor het leven, voor de dood, ja voor wat eigenlijk niet?
Ik ben geboren met een hoogbegaafd brein, met een een hoogsensitief, groot hart vol empathie en compassie en met een serie talenten waar je steil van achterover valt. Tot voor kort bezorgden al die zaken mij de schrik van mijn leven, ik was doodsbang voor alles wat er in mij leefde. Ik begrijp nu eindelijk waarom: als kind is er door mijn verzorgers zelden empathisch op mij afgestemd. Ik kon dus helemaal niets met alles wat er in mij leefde, omdat me dat niet werd voorgedaan. En dus ging ik me ervoor schamen, me ervan afwenden, me voordoen als iemand anders. En werd ik bang. Bang voor mezelf, bang voor het leven, bang voor de dood. Dat bleek de volgorde. Omdat ik niet kreeg aangeleerd ruimte te maken voor mijzelf, af te stemmen op mijzelf, mijn emoties te voelen en te reguleren, mijn waarden te accepteren en mijn intuitie te vertrouwen werd ik in eerste instantie bang voor mijzelf. Mijn lijf voelde onveilig, de menselijke ervaring voelde onveilig. Daardoor voelde het leven zelf onveilig en daardoor ook de dood, want de dood hoort bij het leven.
Waarom kreeg ik het niet voorgedaan? Waarom was er geen ruimte? De redenen daarvoor doen er niet meer toe. Ik ben zeven jaar bezig geweest met die redenen en dat heeft me veel inzicht en heling gebracht, maar ook heel veel wanhoop, desillusie en rouw. Inmiddels begrijp ik dat de redenen (het verleden) nu genoeg aandacht hebben gehad en dat het vanaf nu mag gaan over het heden en de toekomst en dat die van mij afhankelijk zijn. Niet van mijn verleden, maar van wie ik ben: mijn veerkracht, mijn karakter, mijn kunnen en mijn talenten. Het was dus tijd om vrede met mijzelf te sluiten.
Ik ging oefenen met mijzelf vertrouwen, alle lichamelijke sensaties serieus nemen, al mijn emoties te beschouwen als raadgevers in plaats van ergerlijke afleidingen, mijzelf goed te verzorgen, te leren ontspannen en rusten, veel meer te eten, spieren te kweken en niet meer in te storten als ik werd geconfronteerd met mijn eigen kracht, empathie en liefde. En al na drie maanden begon alles te veranderen. Het begon met dat de toekomst niet langer hopeloos voelde, ik voelde mogelijkheden, inspiratie en de capaciteit die om te zetten in actie. Daardoor kreeg het heden ook een andere lading. Iedere dag voelde als een kans om een stap te zetten in de richting van die mogelijkheden, hoe klein ook. En toen we tijdens onze Halloweenviering praatten over mijn doodsangst en we er dieper op ingingen – waar ben je dan toch zo bang voor? – kwam de aap uit de mouw. Ik ben bang voor het niets, voor de ruimte, voor het heelal. Voor de mogelijkheid dat we misschien de enige “intelligente” vorm van leven zijn in het complete universum – en als niet, dan zijn we nog steeds de enige vorm van intelligent leven waar we met onze huidige technologie contact mee kunnen leggen – en ondanks dat, ondanks die wetenschap, dat gegeven, kijk wat we elkaar aandoen op deze planeet, hoe we elkaar behandelen als grofvuil, hoe we elkaar uitmoorden, pijn doen, mishandelen, misbruiken. En toen begreep ik het: ik ben daar niet bang voor, maar ik ben bang voor hoe dat me laat voelen. Mijn hele grote hart vol empathie en compassie met de mensheid en met de wereld, breekt dwars doormidden. Het breekt en het huilt honderdduizenden tranen. En tot 31 oktober jongstleden wist ik niet hoe ik dat moest dragen. Al dat verdriet, die rouw, wanhoop en onbegrip. Hoe moet je leven in een wereld die je niet begrijpt, waar je hart van breekt, die zo weinig benul heeft van het grotere geheel, van liefde, vriendschap en medemenselijkheid? Al het opgekropte verdriet van bijna veertig jaar kwam er die avond uit onder de wassende maan in Stier. En zo allesomvattend als het voelde, zo plotseling was het voorbij. Net als de doodsangst. Poef, weg.
En het was toen dat ik begreep dat zoveel liefde alleen kan overleven in een vat met evenveel kracht. Zodat het niet onder zichzelf bezwijkt. En dat is mijn opdracht. Mijn lichaam trainen om zo krachtig te worden dat het mijn hart kan dragen. Dat het de liefde kan ondersteunen, kan opbouwen. Zodat de liefde geen kumbaya gewauwel wordt waar je week van wordt van binnen, maar dat het geinjecteerd wordt met een levenslustige kracht en een doelgerichte woede. Een agressie die dingen kan transformeren, in vuur en vlam kan zetten, niet vanuit destructie, maar vanuit liefdevolle aanzetting tot iets nieuws, een andere richting. Liefde kan haar werk niet doen zonder een stevige basis, een krachtige bodem. Zie het als het perfecte huwelijk tussen mannelijkheid en vrouwelijkheid. Liefde zonder kracht is week en doorzichtig, heeft geen grenzen en denkt dat alles wel goed komt als je gewoon een beetje vriendelijker bent voor iedereen. Kracht zonder liefde is bruut en grenzeloos, kan destructief zijn zonder wederopbouw en denkt dat alles wel goedkomt als je gewoon blijft vechten en doorgaan. Liefde gedragen door kracht weet wat er moet sterven en wendt haar gezicht niet af, kan erbij blijven en er ruimte voor maken. Liefde ondersteund door kracht kan nieuwe paden vrijmaken, kan incasseren zonder te dimmen. Een hart vol van liefde in een krachtig lichaam kan blijven gloeien in het donker, als een vuurtoren in een levensgevaarlijke storm, onversaagd, zichzelf versterkend. Het is die liefde die ik aan het opvangen ben, met elke kettlebell die ik van mijn rechter- in mijn linkerhand laat zwaaien in een patroon van oneindigheid. Het mannelijke in dienst van het vrouwelijke. Zo moet het zijn en zo zal het gaan. Het zit allemaal in mij en na veertig jaar angst durf ik het aan te kijken en te ontmoeten. En kan ik mijzelf antwoord geven op mijn vraag hoe je moet leven in een wereld met zoveel onrecht, haat en vijandschap. Als een standvastige vuurtoren van liefde. Als een ondoofbaar, knetterend, aanstekelijk, verbindend vuur van felgele vlammen.
Mijn weg terug naar het licht visueel tot stand gekomen binnen Botaniska:








My way back to the light
“Botaniska” is a series of oil paintings, sketches, and collages inspired by the botanical gardens in Gothenburg and Stockholm, which I visited in the summer of 2024.
Ultimately, all the botanical inspiration led to 83 artworks, in which I found my way back to the light. And more specifically, my way back to the colour yellow. The first series of works (the sketches and the collages) are darker and more purple in colour. In the first set of 16 canvas panels, you can detect some gentle egg yellow here and there. In the 32 canvas panels that followed, you can clearly see the advance of the colour yellow. And I can only speculate about what the palette of the five larger paintings on canvas will look like.
Back to the light? Back to the color yellow? I have and always have had a very complicated relationship with the colour yellow. For instance, the only yellow I can tolerate in spring is that of forsythia, and all other yellows drive me crazy. Isn’t that a bit of an exaggeration? No. The first spring after buying our new house in Twente, I ripped out all the yellow flowers that had sprung up in the garden. That’s how aggressive I became.
Because of this effect, I’ve also suffered from so-called spring depression since my adolescence. “Normal” people suffer from autumn or winter depression due to a lack of sunlight. For me, it was the other way around. The prospect of the days only getting longer, the sun shining more hours, becoming brighter and warmer, has been a source of deep despair for me for years. It resulted in me wanting to draw the curtains and wait for the end. For decades, September 1st was the lifeline I eagerly awaited for four months. Until the year 2025.
My mother died in 2024. Which meant she no longer needed rescuing from all the self-destructive relationships she’d allowed herself to become trapped in. Because I realised that that’s what I’ve been unconsciously doing up until 2024: saving my mother. It sounds morbid, strange, and perhaps even deeply disturbing, and I couldn’t have imagined it myself, but it turns out that the best thing my mother could have done for me at this point in my life was to die. Her death detached me from her choices, it freed me from our trauma bond, from her family, her husband, her history. I don’t need to deal with it anymore; I can finally start living my own life. That’s what it feels like, as if there’s finally space for me to be. And of course, if you find this shocking or inappropriate, or you feel offended or deeply hurt, by all means go ahead, but know that this emotion has nothing to do with me, nothing to do with my mother, and nothing to do with the relationship between us. Her soul has found me every Samhain so far, and is completely undisturbed. It’s a neutral, calm force, a temporary observer who’s perfectly content with everything now that she’s no longer human.
And suddenly, the colour yellow doesn’t drive me completely insane anymore. The curtains are drawn less often. Last spring, I spent the entire month of March working in the garden, taking breaks enjoying the midday sun. I bought daffodils and tulips—admittedly, not dark yellow ones, but white, purple, dusty pink, and vanilla. But still, celebrating spring hadn’t occurred to me for twenty years. Because summer, the time to blossom and grow, was a time of survival. Now it suddenly feels safe, and I can tolerate the sunlight better. I experience it almost as an invitation, as confirmation that it’s just as much my birthright to blossom, to develop my talents, to live and speak my truth, to express my opinion, to be who I am. No longer secluded in dark rooms behind drawn curtains, where no one sees me. But in the light, because I’m finally ready to carry my own heart, the heart I’d made myself so afraid of that it made me afraid of life, of death, actually, what didn’t it make me afraid of?
I was born with a highly gifted mind, with a highly sensitive, large heart full of empathy and compassion, and with a series of talents that astonished me and maybe more importantly, astonished the grown ups around me. Until recently, all these things terrified me; I was terrified of everything that lived inside me. Now I finally understand why: as a child, my caregivers rarely attuned to my needs or to my inner world. So I couldn’t do anything with everything that lived inside me, because it wasn’t modelled to me how to do so. And so I became ashamed of it, turned away from it, pretended to be someone else. And I became afraid. Afraid of myself, afraid of life, afraid of death. That turned out to be the order. Because I wasn’t taught to make space for myself, to tune in to myself, to feel and regulate my emotions, to accept my values, and to trust my intuition, I initially became afraid of myself. My body felt unsafe, the human experience felt unsafe. Because of that, life itself felt unsafe, and therefore death too, because death is part of life.
Why was there no space for all of me? Why wasn’t I taught how to attune to myself? The reasons for this no longer matter. I’ve been working with those reasons for seven years, and that has brought me much insight and healing, but also a great deal of despair, disillusionment, and grief. I now understand that the reasons (the past) have received enough attention, and that from now on, my time can be devoted to the present and the future, and that they both depend on me. Not on my past, but on who I am: my resilience, my character, my abilities, and my talents. So, it dawned to me that the time had come to make peace with myself.
I started practicing trusting myself, taking all physical sensations seriously, viewing all my emotions as counselors instead of annoying distractions. I started taking good care of myself, learning to relax and rest, eating much more, building muscle, and no longer collapsing when confronted with my own strength, empathy, and love. And after just three months, everything began to change. It started with the future no longer feeling hopeless; I felt possibilities, inspiration, and the capacity to translate those into action. Because of that, the present took on a different meaning. Every day felt like an opportunity to take a step toward those possibilities, no matter how small. And while we talked about my fear of death during our Halloween celebration and delved deeper into it the truth came out. I have been afraid of nothingness, of space, of the universe. Of the possibility that we might be the only “intelligent” life form in the entire universe—and if not, then we’re still the only form of intelligent life we can contact with our current technology—and despite that, despite that knowledge, that fact, look what we do to each other on this planet, how we treat each other like garbage, how we kill each other, hurt each other, abuse each other. And then I understood: I haven’t been afraid of that fact, but I have been afraid of how it makes me feel. My enormous heart, full of empathy and compassion for humanity and the world, breaks right in half. It breaks and cries hundreds of thousands of tears. And until October 31st, I didn’t know how to bear it all. All that grief, that mourning, despair, and incomprehension. How can you live in a world you don’t understand, that breaks your heart, that has so little grasp of the bigger picture, of love, friendship, and humanity? All the pent-up grief of almost forty years came pouring out that evening under the waxing moon in Taurus. And as all-encompassing as it felt, as suddenly it was gone. Just like the fear of death. Poof, gone.
And it was then that I understood that an X (equals enormous) amount of love can only survive in a vessel of equal amounts of strength. So that it doesn’t collapse under itself. And that is my mission. To train my body to become so strong that it can carry my heart. So that my body can support my heart’s love, so that it can build it up. So that love doesn’t become a kumbaya babble that makes you weak inside, but is injected with a vibrant power and a purposeful anger. An aggression that can transform things, set them ablaze, not out of destruction, but out of loving encouragement toward something new, a different direction. Love cannot do its work without a solid foundation, a powerful base. Think of it as the perfect marriage of masculinity and femininity. Love without strength is weak and transparent, has no boundaries, and thinks everything will be alright if you’re just a little kinder to everyone. Power without love is brutal and limitless, can be destructive without rebuilding, and thinks everything will be alright if you just keep fighting and moving forward. Love, carried by strength, knows what must die and doesn’t turn its face away, can stay with it and make room for it. Love supported by strength can clear new paths, can stand its ground without dimming. A heart full of love in a powerful body can continue to glow in the dark, like a lighthouse in a deadly storm, undaunted, reinforcing itself. It is that love I am capturing, with each kettle bell I swing from my right hand to my left in a pattern of infinity. The masculine in service of the feminine. This is how it must be, and this is how it will be. It’s all within me, and after forty years of fear, I dare to face it and meet it. And I can answer my own question of how to live in a world with so much injustice, hatred, and hostility. Like a steadfast lighthouse of love. Like an unquenchable, crackling, contagious, unifying fire of bright yellow flames.
